Blog 37: Zonnepanelen in plaats van mais

Voormalig boerenerf, bedekt met zonnepanelen. Foto: AGEM
Voormalig boerenerf, bedekt met zonnepanelen. Foto: AGEM

Door Herman van den Bosch

Om omstreeks 2050 overgestapt te zijn op schone energie is een hele klus. Vrij breed bestaat er overeenstemming dat er nog een wereld te winnen valt door bij voorkeur alle geschikte daken van woonhuizen en gebouwen met zonnepanelen te beleggen. Ook windmolens, liefst op zee, moeten een belangrijke energieleverancier worden. Maar ook aan grondgebonden zonnepanelen valt niet te ontkomen.

Bereidheid boeren is aanwezig

Heel wat boeren willen best meewerken: Zonnepanelen leveren meer op dan de productie van snijmais en ontwikkelingen in de veehouderij zullen de vraag naar snijmais sowieso doen dalen. Het zijn vooral natuurbeschermers die niet blij worden van grote oppervlakten bedekt zijn met zonnepanelen. Daarnaast leeft er vooral in plattelandsgemeenten een niet te onderschatten weerstand om agrarisch land te onttrekken aan de voedselproductie.

Tegenstanders kunnen echter gerust zijn. Vooralsnog gaat het om een beperkt oppervlak. Het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) verwacht dat in 2050 0,5% van het agrarisch oppervlak in Nederland met zonnepanelen bedekt zal zijn, een kleine 200 km2 met een opbrengst van 50 petajoule, of 14 miljard kilowattuur.

Aan de Achterhoek zal het niet liggen. Daar loopt al vanaf 2015 het programma Zon op Erf. Dat is in het leven geroepen door AGEM, een regionale energiecoöperatie. De bereidheid van boeren om op de plaats van overtollig geraakte bedrijfsgebouwen, zoals varkensstallen, en een deel van hun akker- en weideland zonnepanelen te leggen is groot. Het gaat om naar verwachting 1500 vrijkomende bedrijfsgebouwen en 750 erven die samen goed zijn voor 2 petajoule of 0,5 miljard kilowattuur.

Zoals blijkt uit de bovenstaande foto, besteed AGEM veel aandacht aan de inpassing van zonnepanelen in het kleinschalige Achterhoeks landschap.

De praktijk is weerbarstig. Gemeenten moeten vergunningen afgeven en zij kijken heel verschillend aan tegen het gebruik van akker- en weidegrond voor energiedoeleinden. De banken staan niet te trappelen omdat het om weliswaar veel, maar relatief kleine projecten gaat. AGEM heeft onlangs de mogelijkheden en de knelpunten geïnventariseerd en dit rapport bevat waardevolle lessen voor plattelandsenergiecoöperaties met vergelijkbare ambities.

Bijdrage van zonneparken aan de biodiversiteit

Tot dusver is het gebruikelijk om grondoppervlak waarop zonnepanelen worden geplaatst te egaliseren, de bodem en de vegetatie te verwijderen en er gravel of boomschors voor in de plaats te doen. Het InSPIRE-programma in de VS (Innovative Site Preparation and Impact Reductions on the Environment) wil daarentegen juist bijdragen aan bodemverbetering. Om die reden worden aan het plaatselijke klimaat aangepaste mengsels van bloemen en planten gezaaid ter versterking van de biodiversiteit. De compacte beplanting zorgt bovendien voor verkoeling, wat het rendement van de zonnepanelen ten goede komt. In proefgebieden met een warmer klimaat blijken ook uiteenlopende voedingsgewassen zoals tomaten het onder de panelen goed te doen. In deze fase van de ontwikkeling van het project wordt in een vijftal staten in de VS onderzocht welke combinaties van planten het beste gedijen en de meeste insecten aantrekken (onderstaande afbeelding).

Foto: National Renewable Energy Laboratory
Foto: National Renewable Energy Laboratory

Californië: voorlooper

De discussie over het gebruik van agrarisch grondgebied voor de opwekking van zonne-energie speelt in Californië met haar ambities op het gebied van schone energie nog sterker dan bij ons.

Als uitvloeisel van de Sustainable Groundwater Management Act moet alleen al in de San Joaquin Valley 200.000 ha. worden onttrokken aan het landbouwareaal omwille van een betere waterhuishouding. Grote arealen vruchtbaar land zijn inmiddels door overmatige irrigatie zodanig verzilt dat hun opbrengst snel vermindert.

Voor de eigenaars van het land is de mogelijkheid om van hun land zonneplantages te maken een uitkomst. Dit levert meer op dan de aanplant van granaatappels, citrusvruchten en noten. Verschillende grootse projecten zijn dan ook in ontwikkeling waaronder een zonneplantage met een omvang van 8,000 ha, de grootste zonneplantage ter wereld. Voorlopig is dit nog de Topaz plantage – ook in Californië - met een vermogen van 550 megaWatt en een oppervlak van 2500 ha. De onderstaande video geeft een beeld hoe groot dit is.

Toch leveren deze reusachtige zonne-plantages nog maar een fractie van de energie die Californië nodig heeft om volledig over te stappen op schone energie. Ook neemt de weerstand binnen de lokale bevolking toe. Deze ziet met lede ogen aan hoe het uitgestrekte groene landschap van de San Joaquin Valley verandert in oprukkende zoutwoestijnen dan wel onafzienbare zonneplantages. Gepleit wordt voor betere spreiding van zowel de gebieden die niet meer bevloeid mogen worden als de zonneplantages die daarvoor in de plaats komen en geen nog vruchtbare grond te gebruiken voor het opwekken van zonne-energie.

Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat natuurbeschermingsorganisaties extra op hun hoede zijn. De staat Californië beschikt immers ook over natuurgebieden, die niet altijd een beschermde status hebben. Een voorbeeld daarvan is het Wind Wolves Preserve, met een grootte van bijna 40,000 ha aan de zuidelijke kant van de San Joaquin Valley, een overblijfsel van een veel groter natuurgebied in de San Emigdio Mountains, waarvan het grootste deel inmiddels een agrarische bestemming heeft.

Dit uitgestrekte gebied (ver van de bewoonde wereld) zou wel eens het kind van de rekening kunnen worden. Gewenst is een rechtlijnig overheidsbeleid dat het belang van natuurbehoud afweegt tegen de noodzaak van de energietransitie. Ook in gebieden waar bijna geen stemgerechtigden wonen.